• EU Onderzoeksprioriteit gespecialiseerd op groenteteelt.

    In november vond de jaarlijkse bijeenkomst plaats van de IPM groep van EUVRIN. Deze groep bestaat uit onderzoekers op het gebied van ziekten en plagen in groente en fruit. Alle deelnemers zijn werkzaam voor Europese onderzoeksinstituten. De bijeenkomst werd gehouden op twee, vlak bij elkaar liggende, onderzoeksinstituten in de uiterste westpunt van Bretagne. In dat gebied wordt op een intensieve manier groente verbouwd, vooral open teelten. Op dat moment stond kool, bloemkool, broccoli en artisjok nog op het land en werden nog geoogst.
    De deelnemers van de bijeenkomst kwamen voornamelijk uit Frankrijk (16) en België (5). Groot Brittanië en Nederland waren de hekkesluiters met elk één onderzoeker. 

    Er zijn presentaties gehouden over onderzoek op het gebied van ziekten en plagen om elkaar te informeren, maar ook werd er gevraagd om verbetersuggesties voor de aanpak. Tijdens de tweede dag is er toegewerkt naar een advies voor de onderzoeksagenda van de Europese Commissie voor het nieuwe Europese onderzoeksprogramma Europe Horizon. Het raamwerk en de onderwerpen van dat programma worden op dit moment ontwikkeld en geschreven. Suggesties zijn daarbij welkom. De suggesties van de IPM werkgroep zijn verzameld en worden via het bestuur van EUVRIN en via contacten van individuele personen van de groep, bij de EU neergelegd.

    Een viertal noodzakelijke onderzoeksonderwerpen zijn door de onderzoekers gezamenlijk vastgesteld:
    a) Opkomende plagen en ziekten, mede als gevolg van de klimaatsveranderingen
    b) Functionele biodiversiteit
    c) Koolwortelvlieg
    d) Nieuwe organismen en plant microbioom biodiversiteit die kunnen bijdragen aan de biologische beheersing van ziekten

    Opvallende onderwerpen :
    1) “Oude” ziekten en plagen die de kop op steken door de beperkte beschikbaarheid van middelen en/of door ontwikkelde resistentie tegen de middelen. In het kader van de beperkte beschikbaarheid van middelen dient de EU rekening te houden met de tijd die het kost om, bij verbod op middelen(groepen), nieuwe beheersingsmethoden te ontwikkelen. Dit duurt meestal
    tussen de 5 tot 10 jaar.


    2) Over functionele biodiversiteit (werken met de natuur; natuurlijke vijanden vermeerderen, plagen reduceren met behulp van onder andere bankerplanten, vanggewassen en specifieke rotatieschema’s) is nog veel onduidelijk. Pas na een jaar of zes komen de positieve effecten van deze methode naar voren. Dit vraagt aanpassingen van de verwachtingen, maar ook aanpassingen van de duur van de onderzoekstrajecten. En zelfs over de juiste onderzoeksmethodieken is nog weinig duidelijk. De effecten van functionele biodiversiteit worden multifactorieel beïnvloed. Onderzoek naar de juiste onderzoeksmethodologie is noodzakelijk als de EU verder inzet op het toepassen van functionele biodiversiteit.

EU Onderzoeksprioriteit volgens Europese onderzoeksinstellingen gespecialiseerd op groenteteelt.